Over cultuurplanten

7. Natuurlijke verfstoffen - Deel 2 Rood

Dit is het tweede deel van mijn serietje over natuurlijke verfstoffen voor textiel. In het eerste deel stond een klein stukje textielgeschiedenis maar het ging vooral over de kleur blauw. Het verrassende bij blauw was, dat deze kleur uit allerlei planten werd gewonnen maar dat het uiteindelijk steeds indigo is wat men uit die planten haalt. Bij rood ligt dat heel anders. Planten, slakken, luizen en korstmossen zijn allemaal leverancier geweest van de kleur rood en het was zeker niet ieder keer dezelfde chemische stof.

Het volmaakte rood 'Het volmaakte rood' is de titel van een boek van Amy Butler Greenfield uit 2005. Dit boek behandelt niet echt de hele geschiedenis van rode verfstoffen; het gaat vooral over het rood uit schildluizen. Dat is waarschijnlijk inderdaad het mooiste natuurlijke rood dat we kennen maar om daar een heel boek over te schrijven van ruim 300 pagina's met 27 pagina's noten en 20 pagina's literatuurverwijzingen! Het laat in ieder geval zien hoe belangrijk wij verfstoffen eigenlijk vinden en zeker rood. Mooi diep rood was in de oudheid moeilijk te vinden en dus zeer kostbaar en dus de kleur van koningen, keizers, vorsten. Ofschoon, soms werd het zelfs die te dol. Het verhaal gaat dat de Romeinse keizer Aurelius zijn vrouw een rood zijden gewaad weigerde, omdat dat gewaad zijn gewicht in goud kostte!

Het oude rood

Het oudste rood is waarschijnlijk rode oker, een kleisoort die al in de steentijd werd gebruikt om lichamen (dood en levend) te kleuren en die de Cro-Magnon mens gebruikte voor zijn rotsschilderingen. Voor textiel is deze klei niet geschikt. Dan verlopen er vele eeuwen waarin waarschijnlijk met allerlei stoffen werd geëxperimenteerd maar waarover we heel weinig weten. Uit Bijbelse tijden zijn er berichten over een rode kleurstof die ze uit insecten, uit schildluizen, haalden. Naar alle waarschijnlijkheid werd de kleurstof bedoeld die nu karmijn of scharlaken heet en die gehaald werd uit de kermes schildluis (Kermes ilicis). Dit is een schildluis die leeft op een groenblijvende eik rond de Middellandse Zee en die dan ook kermes eik wordt genoemd (Quercus coccifera). Dit geeft mooi rood met een tikkeltje blauw erin, een beetje richting paars.

7.brandhoren (53K) De zeeslak brandhoren (Bolinus brandaris of Murex brandaris)

Het beroemdste rood, vaak ook purper genoemd, het rood dat de Romeinse keizers droegen komt van een klein zeeslakje. Waarschijnlijk zijn de Phoeniciërs, beroemde de zeevaarders uit het tegenwoordige Libanon, de ontdekkers van het 'purper uit Tyrus'. Dit rood is meestal ook niet zuiver rood, het heeft meestal iets blauw, soms zelfs veel afhankelijk of je precies het goede slakje hebt. Het slakje, de brandhoren (Bolinus brandaris), leeft aan de kust, wordt bijna 10 centimeter groot en je hebt er zo'n 8000 nodig voor 1 gram zuivere kleurstof! Dus dat schiet niet echt op evenmin als bij de schildluis. Uit dezelfde tijd stamt het rood uit korstmossen. Dit wordt wel het purper voor arme mensen genoemd: het is minder fel rood, meer naar roze en lila en het is ook niet helemaal lichtecht. Welke korstmossen precies zijn gebruikt is niet duidelijk, maar waarschijnlijk meerdere soorten waaronder Rocella tinctoria. Deze korstmos wordt nog steeds gebruikt voor het maken van lakmoes, een kleurstof die in een zure omgeving rood is en in een alkalische blauw. Deze kleurstof werd ook wel gebruikt om het kostbare purper te vervalsen of wat netter: eerst de stof verven met deze relatief goedkope kleurstof dan had je minder nodig van het dure purper. meekrap

Rood uit meekrap

In de Middeleeuwen waren in West-Europa de oude technieken om rood te maken vergeten. Rond 1200 introduceerde een Florentijn opnieuw het rood uit de korstmossen. Waarschijnlijk had hij de techniek in het Midden Oosten geleerd maar hij wist de methode goed geheim te houden en hij werd er zeer rijk door. Maar langzaam kwam in Europa een techniek op die ook al veel ouder was, maar die nooit op grote schaal was toegepast: rood winnen uit de plant meekrap (Rubia tinctorum). Meekrab is afkomstig uit het oostelijke Middellandse Zeegebied en hier en in de omliggende landen ingevoerd. Men zei dat de beste meekrap in Europa uit Zeeland kwam en enige eeuwen is het een zeer belangrijke teelt geweest in Europa in het algemeen en speciaal in Zeeland en om onduidelijke redenen ook rond Tiel. Volgens de Oecologische Flora kan men in Zeeland en rond Tiel nog steeds verwilderde planten uit deze teelt tegen komen. Meekrab is een sterbladige en verwant aan onze walstro soorten. De bloemetjes zijn klein en gelig groen. Voor de winning van de kleurstof is de wortel nodig. Deze is pas na drie jaar groot genoeg om geoogst te worden. Daarna krijg je een bewerking die wel wat lijkt op de bewerking om indigo te krijgen. In de wortel van de meekrap zit niets roods. Drogen, fijnmaken en gisten zijn nodig om de kleurstof vrij te maken en die kleurt dan rood in een alkalische oplossing die gebruikt kan worden om textiel te verven en die bekend stond als Turks rood.

Insecten leveren weer rood

7.kermes luis (Kermes echinatus) (193K) Een kermes luis op een subtropische altijd groene eik

Van de Middeleeuwen tot in de 19e eeuw was meekrap de belangrijkste leverancier van rode verfstof voor textiel. Daarnaast waren er nog andere verfstoffen die natuurlijk een iets andere kleur rood hadden, maar die ook duurder en dus chiquer waren. Een plantaardige soort kwam van roodhout of Brazielhout. Deze kleurstof zit in het hout van een boom dat al in de vroege Middeleeuwen met karvanen uit India en Ceylon werd aangevoerd. Na de ontdekking van Amerika, ontdekten de Portugezen dat in het huidige Brazilië veel bomen voorkwamen die verwant waren aan de roodhout leveranciers (Caesalpinia echinata). Brazilië werd dan ook naar het hout genoemd, niet anders om, en grote hoeveelheden Brazielhout werden naar Europa verscheept en hier geraspt. Dat raspen gebeurde vaak door misdadigers die in de gevangenis voor straf dit hout moesten raspen. Het eerste rasphuis werd in Nederland in Amsterdam gesticht in 1596.
In 1464 introduceerde paus Paulus II het kardinaals rood dat moest worden gemaakt van de kermes luis. Een dure techniek die men blijkbaar weer tot leven had gewekt om de kardinalen iets speciaals te geven. Maar veel last had de meekrab cultuur niet van deze technieken die blijkbaar toch te duur waren of minder lichtechte verf leverden.

Meer concurrentie kwam er van een schildluis die uit Amerika afkomstig was: de cochenille luis (Dactylopius coccus). Deze schildluis is inheems in Mexico en Zuid-Amerika en is verwant aan de Europese kermes luis. De cochenille luis leeft op de opuntia cactussoorten: grote cactussen vaak opgebouwd uit 20-30 cm bladschijven met prachtige gele of oranje bloemen. De vruchten worden gegeten als cactusvijgen.

7.cochenille luis (161K) De cochenille luis op een vijgcactus

De vrouwelijke cochenille luis zit haar hele leven als een wit, grijzig vlekje op de cactus. Ze beweegt nauwelijks en uit haar eitjes ontstaat langzaam een kleine kolonie om haar heen. Alles is grijzig wit en wat pluizig. Rood valt er niet te bekennen... tot je een luisje dood drukt, dan heb je plotseling een prachtig rood druppeltje 'bloed' op je hand: het karmijn. Dit is het 'volmaakte rood' uit de titel van het boek.

Van geheimzinnige rood tot E1207.luizen rood (41K)

De Spanjaarden leerden het rood uit de schildluis kennen via de Indianen in Mexico. Eeuwenlang wisten ze geheim te houden waar het vandaan kwam. Geleerden in Europa dachten vaak dat het een mineraal was, sommigen meenden dat het plantaardig was. Anthonie van Leeuwenhoek, de uitvinder van de microscoop, meende onder zijn microscoop allemaal kleine zaadjes te zien wat betekende dat de oorsprong plantaardig zou zijn. Pas in 1776 ontdekte de Fransman Nicolas-Joseph Thiery de Menonville dat een luis op de cactus de producent was. Korte tijd later konden de Spanjaarden het monopolie niet meer vasthouden en in de landen rond de Middellandse Zee werden cactusplantages aangelegd met luizen. In verschillende landen zijn de resten daarvan nog te zien als verwilderde cactussen. In ieder geval op de Canarische Eilanden zitten de luizen er nog op.
Want meekrap en cochenille eindigden op dezelfde manier als de wede en indigo: in de chemische fabriek. De kleurstof van meekrap werd rond 1900 exact nagemaakt en daarmee eindigde de meekrap teelt en kreeg de cochenille een zware klap. Maar cochenille verdween niet helemaal want ofschoon men het wel kan namaken, maken de luizen het goedkoper. Dus leveren de diertjes nu geen textielverf meer maar E120 zoals op de etiketten staat van producten als campari, lipstick, rouge, vruchtensap, ijsjes etc. Sinds kort proberen een aantal boeren bij Bergen op Zoom ook weer meekrap te telen in de hoop er een markt voor te vinden.

Jan van Dingenen - 2007

De hele serie over natuurlijke verfstoffen staat hier:

6. Natuurlijke verfstoffen - Deel 1 Blauw

7. Natuurlijke verfstoffen - Deel 2 Rood

8. Natuurlijke verfstoffen - Deel 3 Geel

71. Natuurlijke verfstoffen - Deel 4 Zwart

72. Natuurlijke verfstoffen - Deel 5 Wit